Faalangst

Het komt regelmatig weer terug: Cito-toets, proefwerkweken, examens. Dit kunnen voor sommige kinderen spannende tijden zijn en dan vooral voor kinderen met faalangst.

Faalangst. Het is letterlijk angst om bij een taak te falen. Ten gevolge van die angst presteert het kind onder zijn/haar niveau. Er zijn twee vormen van faalangst.  De eerste vorm is de actieve faalangst. Hierbij zien we dat kinderen heel hard werken, geen afstand nemen van hun schoolwerk en niet voldoende aan ontspanning toekomen. Ondanks dat ze voortdurend met hun prestaties bezig zijn hebben ze nog het gevoel dat het niet goed is.

Bij de tweede vorm, de passieve faalangst zien we juist dat kinderen stoppen met werken, omdat ze bang zijn voor een teleurstellend resultaat. Hun angst zorgt ervoor dat ze het liever niet proberen dan dat ze het verkeerd doen. Het is afhankelijk van het karakter van het kind hoe hij omgaat met de faalangst en hoe de angst geuit wordt. Kinderen met faalangst hebben vaak een negatief zelfbeeld en zijn er van overtuigd dat ze niets kunnen en weten. De angst om te falen kan ook lichamelijke klachten veroorzaken: hartkloppingen, zweten, hoofdpijn, etc.

Hoe kunt u als ouder faalangst herkennen?

Kinderen met faalangst:

• kunnen tijdens het leren van toetsen hun gedachten er niet goed bijhouden;
• stampen hun leerstof erin, zodat ze die gewoon op kunnen dreunen;
• komen in proefwerktijden moeilijk in slaap en/of zijn vroeg wakker;
• hebben lichamelijke klachten vóór een proefwerk;
• hebben veelal een negatief zelfbeeld;
• willen graag dat andere positieve verwachtingen uitspreken over hun functioneren;
• willen regelmatig een reactie krijgen op het werk dat ze leveren. Soms vragen ze erom;
• zijn bij nieuwe opdrachten onzeker en kijken eerst hoe anderen dit doen;
• zijn snel uit hun balans wanneer de sfeer in de klas of thuis minder goed is.

Hoe kunt u uw kind met faalangst ondersteunen en begeleiden?

  • Benader het kind positief en leg de nadruk op wat goed gaat. Hierdoor krijgt het kind een positiever zelfbeeld.
  • Maak duidelijke afspraken wanneer het huiswerk gemaakt wordt en wanneer er ontspannen wordt.
  • Ook is het belangrijk om met het kind te praten over de faalangst. Maak het kind duidelijk dat hij niet de enige is met faalangst.
  • Laat het kind oog houden voor wat het werkelijk kan en help het reële eisen te stellen.
  • Het is goed om het kind te helpen bij het plannen van een goede studievoorbereiding en dat hij zich daar ook aan houdt.
  • Geef het goede voorbeeld door te laten zien dat u ook wel eens fouten maakt of ergens niet goed in bent en dat u hier soepel mee om gaat.
  • Werk samen met school. Er zijn vragenlijsten die helpen bij de diagnose faalangst.
  • Informeer naar een trainingsprogramma.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met CJGgeeftantwoord (0800-2540000 of info@cjggeeftantwoord.nl).