Stel je een vraag of geef je een opdracht?

We vragen vaak aan kinderen of ze iets willen doen, “wil je je jas even ophangen?” “Nee”, zegt of denkt je kind, “dat wil ik niet.” 

“Het is bedtijd. Moet je niet eens naar bed?”  Weinig kinderen gaan vanuit zichzelf naar bed.

Vragen stellen is prima. We stellen vaak een vraag om te overleggen met je kind, uit respect, of om rekening met je kind te houden. Wanneer je een vraag stelt geef je het kind een keuzemogelijkheid. Hij kan ja of nee zeggen.

Maar is de situatie zo dat je kind geen ja of nee mag zeggen, stel dan geen vraag maar geef een opdracht.

Een verkeerd voorbeeld is: “Moet je niet eens naar bed?” of “Ga je mee naar de winkel?” In de voorbeelden mag hij zelf niet bepalen hoe laat hij naar bed gaat of alleen thuis mag blijven. Geef geen keuzemogelijkheid als daar geen sprake van is.

Wanneer er iets moet gebeuren kan je dat het beste duidelijk zeggen: “Het is bedtijd, ik wil dat je nu naar boven gaat en je klaar maakt om te gaan slapen”. Of: “Over 10 minuten gaan we samen naar de winkel.” Je bent dan duidelijk naar je kind en dit voorkomt strijd omdat je kind dacht ook nee te kunnen zeggen.